+31 30 2084100
Bellen

Belastingplicht in verliesjaar

7 november 2013 - mr. Jos van Bavel VERDER - NON-PROFIT

Opteren voor belastingplicht verliesjaar

Veel ‘kleine’ stichtingen en verenigingen zijn met ingang vanaf januari 2012 niet (langer) belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. Zij maken gebruik van de algemene subjectieve vrijstelling voor stichtingen en verenigingen. De belangrijkste voorwaarde voor die vrijstelling is de eis dat de fiscale winst van de stichting of vereniging niet meer bedraagt dan € 15.000. Dat is een verdubbeling van de winstdrempel uit deze vrijstelling ten opzichte van het wettelijke regime in de jaren tot en met 2011.

De belangrijkste beperking in de werking van de subjectieve vrijstelling van artikel 6 Wet op de Vennootschapsbelasting 1969, is dat het fiscale resultaat in verliesjaren bij fictie op ‘nihil’ wordt gesteld. Uit de wetsgeschiedenis valt op te maken dat dit hiermee voorkomen moet worden dat verenigingen en stichtingen met professionele ondernemingen en fluctuerende resultaten een beroep op de algemene vrijstelling kunnen doen. Het gevolg van deze fictie is dat kleine stichtingen en verenigingen hun geleden fiscale verlies niet – binnen de regels die de vennootschapsbelastingwetgeving hieraan stelt – kunnen verrekenen met positieve resultaten uit andere jaren. Daarmee vormt deze fictie een inbreuk op de fiscale basisgedachte dat de ‘totaalwinst’ van een belastingplichtige belast moet worden. Deze beperking van de mogelijkheden verlies te verrekenen is het wisselgeld dat een kleine stichting of vereniging betaalt voor de mindere financiële en administratieve last van het niet hoeven verzorgen van een jaarlijkse aangifte.

Tegemoetkoming

Kleine (subjectief vrijgestelde) stichtingen en verenigingen hebben de mogelijkheid om te opteren voor reguliere belastingplicht. Ze maken dan dus geen gebruik meer van de subjectieve vrijstelling op grond van artikel 6. Het opteren voor belastingplicht maakt het mogelijk om geleden (en fiscaal geformaliseerde) verliezen wel te verrekenen met resultaten uit andere boekjaren, mits die boekjaren ook maar in de periode van belastingplicht van de onderneming van de betreffende stichting of vereniging liggen.

Het opteren voor belastingplicht door een kleine stichting of vereniging is aan regels gebonden. Zo moet het verzoek om als belastingplichtige te worden aangemerkt uiterlijk binnen zes maanden zijn ingediend bij de Belastingdienst na het boekjaar waarop het verzoek betrekking heeft. De minimale periode van de belastingplicht op grond van deze optie bedraagt bovendien vijf jaar. Opzeggen van het verzoek om als belastingplichtige te worden aangemerkt, kan enkel met ingang van het vijfde jaar (of een veelvoud daarvan) na aanvang van de belastingplicht. Dit betekent dus een lastige afweging voor een kleine stichting of vereniging die overweegt van zo’n verzoek gebruik te maken. De verwachtingen over de resultaten van de stichting of vereniging in een vrij lange periode en de kosten gemoeid met het (laten) verzorgen van de jaarlijkse aangifte moeten dan worden afgewogen. Hoewel het er niet eenvoudiger op wordt, merken we voor de volledigheid op dat de termijn gesteld aan dit verzoek, betekent dat met het maken van de keuze niet (altijd) kan worden gewacht tot het moment waarop de jaarrekening of aangifte vennootschapsbelasting gereed is.

Tot 2012 bestond voor subjectief vrijgestelde instellingen de mogelijkheid om jaarlijks te opteren voor belastingplicht. Die mogelijkheid is er nog, alleen de periode waarvoor je opteerde is nu minimaal vijf jaar. Voorheen was dit steeds één jaar. De wetsgeschiedenis merkt hierover op dat met de periode van minimaal vijf jaar wordt voorkomen dat met een te grote regelmaat openings- en slotbalansen moeten worden opgesteld. Dat leidt immers weer tot extra administratieve lasten en uitvoeringskosten. De periode van vijf jaar, laat uiteraard onverlet dat tussentijds de belastingplicht wel kan eindigen doordat de onderneming wordt gestaakt en bijvoorbeeld enkel nog sprake is van ‘normaal vermogensbeheer‘.

Indien een stichting of vereniging met een onderneming ten onrechte niet tijdig om uitreiking van een aangifteformulier verzoekt, kan de Belastingdienst een boete opleggen aan de stichting of vereniging en bij opzet zelfs een strafrechtelijk traject inzetten. Voor bestuurders van verenigingen en stichtingen kan het daarmee wenselijk zijn om een opinie van een belastingadviseur in het dossier vast te hebben liggen. Als een pleitbaar standpunt bestaat, dan kunnen de voornoemde sancties niet worden ingeroepen door de Belastingdienst.

Oude verliesjaren binnen belastingplicht

Een praktisch punt tot slot. Naar onze ervaring wordt bij het fiscale belang van verliesjaren bij stichtingen en verenigingen kort stilgestaan. Een verliesjaar leidt immers ook niet direct tot afdracht van geld aan de Belastingdienst. Het belang van een fiscaal verliesjaar komt vaak pas ter sprake als de stichting of vereniging een (forse) belastbare winst maakt.

Om verliezen uit het verleden van een belastingplichtige te kunnen verrekenen, moeten deze in een verliesbeschikking geformaliseerd zijn door de Belastingdienst. De vaststelling van een jaarverlies geschiedt namelijk op verzoek van de belastingplichtige. Het verzoek kan uitsluitend door middel van het indienen van een aangifte worden gedaan. Omdat de vennootschapsbelasting een zogenaamde ‘aanslag’ belasting is, moet de belastingplichtige die niet binnen zes maanden na afloop van het boekjaar waarin sprake was van belastingplicht is uitgenodigd tot het doen van aangifte, binnen twee weken zelf vragen om een uitnodiging tot het doen van aangifte. Wanneer het boekjaar gelijk is aan het kalenderjaar, betekent dit een actie voor de betreffende stichting of vereniging vóór half juli van het jaar volgend op het verliesjaar.

Bij het formaliseren van verliezen uit een verder verleden (meer dan over het afgelopen boekjaar), of bij een formeel te laat verzoek om uitreiking van een aangiftebiljet, is een stichting of vereniging afhankelijk van de opstelling van de eigen Belastingdienst. De Belastingdienst kan verliezen tot drie jaar terug nog (ambtshalve) formaliseren, maar daartoe is zij niet verplicht op grond van de wet. Wanneer een stichting of vereniging dus (oude) verliezen fiscaal gehonoreerd wil zien worden, doet ze er goed aan hiervoor tijdig een verzoek c.q. aangifte in te dienen. De omstandigheid dat de wetgever aan de Belastingdienst de keuze biedt en geen verplichting oplegt een verliesbeschikking te formaliseren, laat zich vanuit het belang voor de schatkist ook eenvoudig verklaren. Met het formaliseren van verliezen is immers geen direct positief belang voor de belastinginkomsten gemoeid. In situaties vanbehaalde fiscale winsten in het verleden, is dit belang er duidelijk wel en zal de Belastingdienst ook snel overgaan tot navordering.

Overigens hebben wij de ervaring dat tegen onwil bij de Belastingdienst om verliesbeschikkingen voor het verleden vast te stellen best nog actie te ondernemen is. Via het ministerie van Financiën kan de inspecteur mogelijk toch worden bewogen tot het vaststellen van verliesbeschikkingen.

Onze dienstverlening

VERDER heeft expertise op het gebied van de vennootschapsbelastingplicht van stichtingen en verenigingen. Graag informeren wij uw stichting of vereniging over de mogelijkheid gebruik te maken van een subjectieve vrijstelling en de invloed op uw verliesverrekening. Wellicht dat het opteren voor belastingplicht over een periode van vijf jaar zinvol is. We gaan hierover graag het gesprek met u aan. Onze contactgegevens treft u hier aan.

VERDER gaat uiterst nauwkeurig te werk. Toch kunnen wij geen verantwoordelijkheid aanvaarden voor door u op basis van de voorgaande informatie genomen acties. Neem hier kennis van onze disclaimer.

Jos van Bavel

Partner / Fiscalist

Binnen VERDER is Jos verantwoordelijk voor fiscale advisering. Jos is een fiscaal specialist met focus op grote en middelgrote Non-Profit organisaties en overheden.

Lees meer over Jos van Bavel >

Recente publicaties

Alle publicaties

Best gelezen