31 30 2084100
Bellen

Cultureel ondernemerschap

6 mei 2012 - mr. Jos van Bavel VERDER NON-PROFIT

Cultureel ondernemerschap

De overheid doet een steeds groter appèl op het ondernemerschap van culturele instellingen, zoals musea, podia en theaters. De gedachte is dat de subsidie en de afhankelijkheid van de overheid afneemt en de eigen inkomsten stijgen. Met het culturele ondernemerschap en deze innovatie, vraagt ook de fiscale positie van een instelling de aandacht. Wanneer immers winst wordt behaald, zal de Belastingdienst hiervan haar deel opeisen. Tenzij een cultureel ondernemende instelling haar fiscale positie optimaal inricht: de fiscus blijft dan buiten beeld.

Bij cultuur draait het volgens de wetgever om instellingen die streven naar hoogwaardig cultuuraanbod, gericht op een breed publiek, dat voor zoveel mogelijk mensen toegankelijk is. Instellingen zijn bijvoorbeeld actief in beeldende kunst, bouwkunst, erfgoed, (musea, monumenten, archieven), dans, film, letteren, muziek, muziektheater, theater, nieuwe media of vormgeving. Hieronder vallen bijvoorbeeld bibliotheken, musea, theatergroepen en schouwburgen.

ANBI-status

De status van ‘culturele instelling‘ voor de ANBI-regelgeving (algemeen nut beogende instelling), vormt geen indicatie voor de mate waarin een instelling zich ook cultureel ondernemerschap toont. Cultureel ondernemerschap en de mate waarin de instelling zich ‘commercieel’ gedraagt, kan andersom wel van invloed zijn op de ANBI-status.

Hoewel succesvolle fondsenwerving naar zijn aard veel overeenkomsten heeft met ondernemerschap, is dit fiscaal niet zondermeer gelijk te stellen. De goedgevendheid van donateurs leidt nog niet tot kwalificatie als cultureel ondernemer. Wanneer een weldoener immers uit ideële motieven doneert, wordt geen product of dienst geleverd. Er is geen prestatie te onderkennen die direct verband houdt met de gift.

Vennootschapsbelastingplicht

Sinds 2012 kunnen ondernemende culturele instellingen kiezen voor integrale vennootschapsbelastingplicht. Een belangrijk voordeel daarbij is dat een culturele instelling hierdoor winsten uit haar ondernemingsactiviteiten (zoals museumwinkel), kan verrekenen met de exploitatietekorten uit het niet-ondernemingsgedeelte van haar activiteiten (zoals het museum). Zonder deze nieuwe optie, zou die verrekening fiscaal niet kunnen plaatsvinden. Overigens moet de keuze voor integraal ondernemerschap evenals die voor optionele belastingplicht uiterlijk binnen zes maanden na afloop van het boekjaar worden gemaakt. En de keuze maak je voor een periode van minimaal tien (!) jaren. Wij adviseren culturele instellingen om deze keuzes vóór 1 juli 2013 te onderbouwen. Voor de volledigheid merken wij op dat met het maken van deze keuze niet (altijd) gewacht kan worden tot het moment dat de aangifte vennootschapsbelasting over 2012 wordt ingediend.

Ondernemende culturele instellingen hebben voorts met ingang van 2012 de mogelijkheid een ‘bestedingsreserve‘ te vormen. Deze bestedingsreserve kan de culturele instelling aanwenden voor nieuwe investeringen en projecten. Opvallend is dat culturele instellingen deze faciliteit krijgen, maar reguliere ANBI’s niet. De keuze voor integrale vennootschapsbelastingplicht kan de culturele instelling combineren met de bestedingsreserve. Zodoende kan een culturele instelling voorkomen dat effectief vennootschapsbelasting wordt geheven. Overigens zijn bibliotheken en openbare leeszalen van oudsher subjectief vrijgesteld van vennootschapsbelasting. Ongeacht de mate waarin zij zich als cultureel ondernemer gedragen.

Naar onze mening leidt de keuze voor integraal ondernemerschap door een culturele instelling overigens niet tot het gevolg dat ook de door deze instelling ontvangen schenkingen en nalatenschappen tot haar fiscale winst moeten worden gerekend. Op grond van fiscale jurisprudentie zien wij aanleiding te concluderen dat betalingen uit vrijgevigheid door personen die bij de uitoefening van de onderneming geen belang hebben, wel leiden tot extra ondernemingsvermogen van de instelling maar niet tot extra fiscale (belastbare) winst.

Openingsbalans

Wanneer de culturele instelling kiest voor integraal ondernemerschap en bovendien ook voor integrale belastingplicht, dan zal voor het verlieslatende deel van haar onderneming een fiscale openingsbalans moeten worden opgesteld. Waardering van de activa en passiva van dit ondernemingsdeel naar de waarde in het economisch verkeer komt ons logisch voor. Over de aanwezigheid van goodwill op deze openingsbalans (zou aantrekkelijk zijn in verband met een toekomstig hogere fiscale afschrijvingsbasis) zal maar zelden een discussie te hoeven worden gevoerd, aangezien winsten en verdiencapaciteit hier ontbreken. De stelling van de Belastingdienst dat sprake zou zijn van ‘badwill’ welke voorzien moet worden op de openingsbalans, lijkt ons in strijd met de strekking van de aan de culturele instellingen geboden – veelal voordelig – opties van integraal ondernemerschap en integrale belastingplicht.

Onze dienstverlening

VERDER heeft expertise op het gebied van fiscale regelgeving voor ondernemende culturele instellingen. Graag informeren wij u over het belang, de optimale vorm en de oplossingen voor uw culturele ondernemerschap. Onze contactgegevens treft u hier aan.

VERDER gaat uiterst nauwkeurig te werk. Toch kunnen wij geen verantwoordelijkheid aanvaarden voor door u op basis van de voorgaande informatie genomen acties. Neem hier kennis van onze disclaimer.

Jos van Bavel

Partner | Fiscalist

Binnen VERDER is Jos verantwoordelijk voor fiscale advisering. Jos is een fiscaal specialist met focus op grote en middelgrote Non-Profit organisaties en overheden.

Lees meer over Jos van Bavel >