31 30 2084100
Bellen

Culturele belastingplicht

25 juli 2012 - mr. Jos van Bavel VERDER NON-PROFIT

De fiscale wetgeving voor stichtingen en verenigingen is gewijzigd per 1 januari 2012. Voor ‘culturele instellingen’ komt daar nog een tweede wijziging bovenop. Daardoor vraagt de fiscaliteit om extra aandacht van culturele instellingen.

1e wijziging: generieke vrijstelling

De eerst genoemde wijziging maakt het voor veel ‘kleine’ instellingen eenvoudiger om hun fiscale positie te bewaken. Meestal kunnen zij nu ook formeel gebruik maken van een vrijstelling voor de vennootschapsbelasting. Terwijl ze voorheen naar onze ervaring nogal eens ‘onwetend’ belastingplichtig waren. De wetgever heeft een nieuwe – veelal ruimere – generieke subjectieve vrijstelling voor kleine stichtingen en verenigingen ingevoerd. Dergelijke instellingen drijven vaak op de inzet van vrijwilligers, treden op onderdelen van hun activiteiten in concurrentie, behalen een beperkt financieel exploitatieresultaat en hebben een beperkte kennis van de fiscale regels. Voor de wat grotere instellingen is dat echter niet het geval.

Ook stichtingen of verenigingen kunnen immers een professionele organisatie en onderneming drijven. Soms zijn het zelfs instellingen met een forse omvang, zowel in omzet en personeelsbezetting als in exploitatieresultaat. Dergelijke grotere instellingen kunnen de nieuwe subjectieve vrijstelling voor stichtingen en verenigingen meestal niet inroepen. Of ze willen op verzoek om fiscaal moverende redenen worden aangemerkt als regulier belastingplichtig. Voor bepaalde instellingen, zoals pensioenfondsen, zorginstellingenopenbare leeszalen en bibliotheken etc. kan naast de algemene subjectieve vrijstelling nog een aparte subjectieve vrijstelling gelden. Maar voor andere culturele instellingen dan de openbare bibliotheek of leeszaal, is er geen aparte vrijstelling in de wet opgenomen.

2e wijziging: vennootschapsbelastingplicht voor culturele instelling

Zoals bekend vormen ‘culturele instellingen‘ met ingang van 1 januari 2012 een bijzondere categorie ANBI‘s. Feitelijk moeten culturele instellingen (nagenoeg) alle werkzaamheden ten behoeve van het algemeen nut verrichten én moeten die werkzaamheden ‘cultureel’ van aard zijn. Mits een instelling zich in voldoende mate met cultuur bezighoudt, kan ze de status van culturele instelling toegekend krijgen. Maar naast de ANBI-status vraagt de fiscaliteit aanvullend om aandacht bij culturele instellingen.

Bij een culturele instelling met een museum, een podium, een schouwburg, een theater, etc., zal namelijk meestal sprake zijn van vennootschapsbelastingplicht. Met het winkeltje in het museum, de horeca bij het poppodium en het restaurant in het theater, is sprake van (potentiële) concurrentie met regulier vennootschapsbelastingplichtige ondernemers. Daarmee is ten minste sprake van partiële vennootschapsbelastingplicht voor de stichting die deze activiteiten naast de culturele activiteiten ontplooit. De aftrek die een de fiscaal fondswervende instelling kan genieten voor de vennootschapsbelastingplicht, doet hier niet aan af. Ook de mogelijkheid voor culturele instellingen om een bestedingsreserve te vormen, brengt het fiscale resultaat van de stichting niet onder de drempel van de algemene subjectieve vrijstelling. De mate waarin vrijwilligers zich inzetten bij professionele instellingen blijft vaak beperkt, waardoor de fictieve kosten die daarmee gemoeid gaan fiscaal ook niet voor veel aftrek zorgen.

Hoewel vanwege deze faciliteiten van effectieve heffing en afdracht van vennootschapsbelasting geen sprake hoeft te zijn, kan vaak aan formele vennootschapsbelastingplicht niet meer worden ontkomen. Het gevolg is dat de culturele instelling dan jaarlijks een (nihil)aangifte vennootschapsbelasting moet (laten) indienen, waarmee de financiële en administratieve lasten toenemen.

Overheidsmusea

Sommige musea vormen een onderdeel van de overheid. Een Rijksmuseum of een gemeentemuseum bijvoorbeeld. Dergelijke instellingen zijn vrijgesteld van vennootschapsbelastingplicht op grond van het feit dat ze in fiscale zin als direct of indirect ‘overheidsbedrijf’ kwalificeren. De belastingplicht van overheidsbedrijven is overigens aan verandering onderhevig, omdat hier geen sprake is van een ‘level playingfield’ met andere regulier belaste ondernemers. In de (nabije) toekomst kan hun fiscale positie dus wijzigen. De Rijks- en gemeentemusea kunnen de status van culturele ANBI overigens naar onze mening niet verleend krijgen, juist omdat ze onderdeel uitmaken van die zelfde overheid.

Deelneming voor commerciële activiteiten

Sommige culturele instellingen hebben hun ‘commerciële’ activiteiten ondergebracht in een afzonderlijke rechtspersoon die tot 2012 diende als fondswervende instelling (meestal een bv). Die commerciële rechtspersoon is uiteraard regulier onderworpen aan de heffing van vennootschapsbelasting. Als gevolg van een wettelijke wijziging in de aftrek die die fondsenwerver mag toepassen met ingang van 2012, bestaat er aanleiding om dergelijke structuren te herzien. Het handhaven van de structuur betekent in ieder geval heffing van vennootschapsbelasting over de behaalde fiscale winst.

Keuze integraal ondernemerschap

Om sneller gebruik te kunnen maken van de algemene subjectieve vrijstelling voor stichtingen, kunnen culturele instellingen sinds 1 januari 2012, mits zij maar gedeeltelijk reeds een onderneming drijven, de keuze maken om op verzoek aangemerkt te worden als ‘integraal ondernemer’. Een keuze die zeer relevant is voor de vennootschapsbelastingpositie van de instelling.

Een belangrijk voordeel van integraal ondernemerschap is dat een culturele instelling daardoor winsten uit haar ondernemingsactiviteiten (zoals het winkeltje) kan verrekenen met de exploitatietekorten uit het niet-ondernemingsgedeelte van haar activiteiten (zoals het museum). Zonder deze nieuwe wettelijke mogelijkheid, zou die verrekening fiscaal niet kunnen plaatsvinden. De keuze voor integraal ondernemerschap moet de culturele instelling, evenals wellicht die voor optionele belastingplicht, uiterlijk binnen zes maanden na afloop van het boekjaar maken. En de keuze maak je voor een periode van tien (!) jaren. Wij adviseren culturele instellingen om deze keuzes vóór 30 juni 2013 te onderbouwen. Voor de volledigheid merken wij op dat met het maken van deze keuzes niet (altijd) gewacht kan worden tot het moment van indienen van de aangifte vennootschapsbelasting over 2012.

In reactie op het verzoek tot integraal ondernemerschap, reikt de Belastingdienst een beschikking uit. Daarin kan zij nadere voorwaarden stellen aan de inwilliging van het verzoek. Helaas is onduidelijk aan welke voorwaarden moet worden gedacht en ook niet waartoe dergelijke voorwaarden moeten strekken, aangezien nadere regelgeving (nog) ontbreekt.

Overwegingen

Er zijn vele aspecten die afgewogen moeten worden bij de keuze voor integraal ondernemerschap. Wij noemen er hier een aantal (zonder overigens volledig te willen zijn).

  • Wat is de impact van integraal ondernemerschap op de vermogensetikettering van de vermogensbestanddelen en bedrijfsmiddelen van de culturele instelling? Welke gevolgen heeft dit voor de fiscale (openings)balans van de instelling? Moeten bepaalde bedrijfsmiddelen of (onroerende) vermogensbestanddelen wellicht buiten de culturele instelling worden geplaatst om niet te worden geconfronteerd met fiscale resultaten bij de toekomstige verkoop daarvan?
  • Hoe moet de waardering van de nieuwe vermogensbestanddelen op de ondernemingsbalans plaatsvinden? Zijn voorzieningen, immateriële activa en goodwill (of badwill) fiscaal toelaatbaar? Hoe moet bij de waardering worden omgegaan met de btw-component van de te activeren bedrijfsmiddelen op de (openings)balans? Inclusief of exclusief btw? Hoe moeten subsidies worden verwerkt op deze balans?
  • Wat is de impact van integraal ondernemerschap op de fiscale afschrijvingsmogelijkheden, bijvoorbeeld op het vastgoed in eigendom? Hoe wordt het vastgoed gebruikt en tot welke ‘bodemwaarde’ kan fiscaal worden afgeschreven?
  • Wat is de impact van integraal ondernemerschap op de heffing van vennootschapsbelasting over ontvangen subsidies en/of (al dan niet met behulp van de fiscale multiplier) ontvangen schenkingen of nalatenschappen? Hoe wordt voorkomen dat subsidies, schenkingen of nalatenschappen worden belast met vennootschapsbelasting als een instelling kiest voor integraal ondernemschap en integrale vennootschapbelastingplicht?
  • Wat is de impact van integraal ondernemerschap op de aftrekbaarheid van financierings- en rentelasten, vooral wanneer een verbonden steunfonds of vriendenstichting van de culturele instelling voorziet in de lening? Rente verschuldigd aan verbonden lichamen komt onder voorwaarden niet voor aftrek in aanmerking.
  • Wat is de impact van integraal ondernemerschap op de bestuursaansprakelijkheid voor belastingschulden van de culturele instelling?
  • Wat is de impact van integraal ondernemerschap in combinatie met de keuze voor optionele vennootschapsbelastingplicht op de mogelijkheid om behaalde verliezen te kunnen verrekenen met toekomstige fiscale winsten?
  • Wat is de impact van integraal ondernemerschap in combinatie met de keuze voor optionele vennootschapsbelastingplicht in relatie tot toepassing van de deelnemingsvrijstelling bij dochter-bv(‘s) en de inhoudingsplicht voor de dividendbelasting?
  • Wat is de impact van integraal ondernemerschap in combinatie met de keuze voor optionele vennootschapsbelastingplicht voor de mogelijkheden tot Research & Development Aftrek (RDA), toepassing van de innovatiebox (5% tarief vennootschapsbelasting over winst voortgekomen uit speur- en ontwikkelingswerk) en WBSO-subsidie op loonkosten?
  • Wat is de impact van het verlies van de ANBI-status of de fiscale status van culturele instelling binnen de 10-jaarstermijn op het integraal ondernemerschap van een stichting of vereniging of op de heffing van schenk- of erfbelasting van daarna ontvangen erfenissen, legaten of schenkingen? En wat is hiervan de impact op in te houden loonheffingen bij uitbetaalde vrijwilligersvergoedingen?

Wij constateren dat veel van de voornoemde aspecten, de oorzaak zullen zijn van een fiscaal hogere winst dan de commerciële (winst)cijfers van de culturele instelling zullen kunnen doen vermoeden. Het is dan ook de vraag of uw culturele instelling gebaat is bij een keuze voor integraal ondernemerschap. Vooral ook omdat u voor minimaal tien jaar aan die keuze vast zit. Heeft uw culturele instelling verliezen gemaakt, of verwacht u die te maken en wenst u dat deze fiscaal voor verrekening met toekomstige winsten in aanmerking blijven komen, dan doet u er mogelijk goed aan om te opteren voor vennootschapsbelastingplicht van uw instelling.

Onze dienstverlening

U merkt al dat de hoeveelheid variabelen bij het maken van een juiste afweging groot is. Dit maakt dat de afweging van uw culturele instelling een andere kan zijn dan die van ‘uw buurman’. VERDER heeft expertise op het gebied van de vennootschapsbelastingplicht bij culturele instellingen. Graag informeren wij uw instelling over de keuze die u vóór 1 juli 2013 gemaakt moet hebben en de fiscale gevolgen daarbij. We gaan hierover graag het gesprek met u aan. Onze contactgegevens treft u hier aan.

VERDER gaat uiterst nauwkeurig te werk. Toch kunnen wij geen verantwoordelijkheid aanvaarden voor door u op basis van de voorgaande informatie genomen acties. Neem hier kennis van onze disclaimer.

Jos van Bavel

Partner | Fiscalist

Binnen VERDER is Jos verantwoordelijk voor fiscale advisering. Jos is een fiscaal specialist met focus op grote en middelgrote Non-Profit organisaties en overheden.

Lees meer over Jos van Bavel >