31 30 2084100
Bellen

Fiscale alternatieven voor de openbare bibliotheek

8 augustus 2012 - mr. Jos van Bavel VERDER - NON-PROFIT

Met het veranderen van fiscale regelgeving per 1 januari 2012, zijn ook de fiscale mogelijkheden van openbare bibliotheken en leeszalen gewijzigd. Dat vraagt om aandacht voor de fiscaliteit bij deze instellingen.

Invoering Geefwet

Allereerst is de Geefwet ingevoerd, met als relevant gevolg (in dit kader) diverse wijzigingen voor Algemeen Nut Beogende Instellingen (ANBI’s). Zo is de nieuwe categorie van ‘culturele’ ANBI’s ontstaan per 1 januari 2012, hetgeen dergelijke bijzondere ANBI’s een aantal fiscale voordelen biedt (zie hier). Een belangrijke ontwikkeling op dit vlak is dat het (culturele) ANBI’s – in ruimere mate dan voorheen – wordt toegestaan om commerciële activiteiten te ontplooien.

Wijzigingen vennootschapsbelasting

Daarnaast zijn er wijzigingen doorgevoerd in de vennootschapsbelasting. Stichtingen en verenigingen die een onderneming drijven en die een ‘klein’ fiscaal exploitatieresultaat behalen (winst), blijven voortaan vrijgesteld van de heffing van winstbelasting (voor de werking van de nieuwe subjectieve vrijstelling van artikel 6 Wet op de Vennootschapsbelasting 1969, zie hier).

Voor culturele instellingen geldt daarbij dat ze met ingang van 1 januari 2012 de keuze hebben om te kiezen voor ‘integraal ondernemerschap’ van de stichting of vereniging. Daarbij hebben ze, los van het (verwachte) fiscale exploitatieresultaat, de mogelijkheid om te kiezen voor integrale belastingplicht. De idee daarbij is dat deze culturele instellingen niet langer jaarlijks geconfronteerd kunnen worden met een gewijzigde fiscale positie (dan weer vrijgesteld, dan weer belast, al naar gelang de – toevallige – omvang van de fiscale winst). Voor de keuzes die culturele instellingen moeten maken en de overwegingen daarbij, zie hier).

Vennootschapsbelasting bij openbare bibliotheken en leeszalen

Met de nieuwe keuzemogelijkheden voor culturele instellingen, komen de meeste openbare bibliotheken en leeszalen in een bijzondere positie. Zij zijn in de fiscale regelgeving namelijk van oudsher specifiek subjectief vrijgesteld van vennootschapsbelasting als hun werkzaamheden uitsluitend of nagenoeg uitsluitend (lees: 90% of meer) bestaan uit ‘het in stand houden van openbare leeszalen en bibliotheken’.

Maar als de openbare bibliotheek als culturele instelling is aangemerkt, kan ook geopteerd worden voor integraal ondernemerschap en integrale belastingplicht. Uiteraard komt de vraag op of en wanneer een bibliotheek baat kan hebben bij die nieuwe keuzes; waarom immers niet langer vrijgesteld willen zijn van vennootschapsbelasting?

Gevolgen opgeven vrijstelling

De keuze om niet langer vrijgesteld te zijn van vennootschapsbelastingplicht, heeft uiteraard gevolgen. We noemen enkele aspecten die hierbij relevant zijn.

  1. De keuze voor vennootschapsbelastingplicht door openbare bibliotheken die een andere rechtsvorm hebben dan die van de stichting of vereniging, heeft gevolgen voor de mogelijkheid om de betrokken vrijwilligers een onbelaste vrijwilligersvergoeding te geven (voor meer informatie over de voorwaarden van een onbelaste vrijwilligersvergoeding, zie hier)
  2. Daarnaast heeft de keuze van een openbare bibliotheek om als integraal vennootschapsbelastingplichtige te worden aangemerkt ook gevolgen voor de bepaling van het fiscale exploitatieresultaat. Als de subjectieve vrijstelling door de bibliotheek wordt opgegeven, moet zij haar fiscale resultaat bepalen op grond van de geldende regels uit de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969. Concreet betekent dit bijvoorbeeld dat het fiscale resultaat van de bibliotheek zal kunnen afwijken van het commercieel gepresenteerde exploitatieresultaat in de exploitatierekening van de instelling. Fiscaal worden bijvoorbeeld afschrijvings- en/of rentelasten getemporiseerd en komen ze niet of minder snel voor aftrek in aanmerking. Maar ook fiscale subsidies zijn mogelijk aan de orde, bijvoorbeeld voor speur- en ontwikkelingswerk.
  3. En wat te denken van het gevolg dat de instellings- en/of exploitatiesubsidie die een openbare bibliotheek ontvangt in de heffing van vennootschapsbelasting wordt betrokken? Iets waar de meeste subsidiegevers (gemeenten, overheden, fondsen) niet enthousiast van worden.
  4. Tot slot leidt het opgeven van de subjectieve vrijstelling tot aanvullende (administratieve) lasten: de fiscale positie in de jaarrekening van de openbare bibliotheek moet worden opgesteld en ook dient jaarlijks een aangifte vennootschapsbelasting te worden ingediend.

Waarom dan toch de vrijstelling opgeven?

Soms kan het niet anders. Wat te denken bijvoorbeeld van de situatie waarin ‘kunstuitleen’-activiteiten worden samengevoegd met die van de bibliotheek. En daarbij verkrijgt de openbare bibliotheek of leeszaal de gewenste fiscale zekerheid. De fiscale ‘pijn’ als gevolg van het belastingplichtig worden, wordt bovendien gematigd als gevolg van verschillende specifieke fiscale regels voor de culturele sector.

Binnen de culturele sector wordt een steeds groter appèl gedaan op het ondernemerschap. Wij zien in de praktijk bijvoorbeeld dat werkzaamheden als die van kunstuitleen samengaan met die van de openbare bibliotheek. Maar ook het exploiteren van een kiosk of horecapunt door de openbare bibliotheek komt steeds vaker voor. De vraag wordt dan actueel of de openbare bibliotheek nog wel voldoet aan de voorwaarden van de subjectieve vrijstelling vennootschapsbelasting.

Een openbare bibliotheek wil niet achteraf (bij controle door de Belastingdienst) geconfronteerd (kunnen) worden met de stelling dat ze niet meer voldoet aan de eisen voor de subjectieve vrijstelling. Afhankelijk van de ondernemersgeest en de in mindere of meerdere mate aanwezige of nog te ontwikkelen ‘commerciële’ activiteiten van een openbare bibliotheek, is het dan te overwegen om de subjectieve vrijstelling op te geven. Daarmee ontstaat fiscale zekerheid.

De onzekerheid over de fiscale resultaten en de belastbaarheid van de stichting of vereniging waarin de openbare bibliotheek wordt geëxploiteerd, leidt tot een mogelijk jaarlijks wisselende fiscale positie van onbelast naar belast en weer terug (jojo-effect); met alle fiscale ongewenste gevolgen van het staken van de onderneming en het afrekenen over de fiscale claims met de Belastingdienst.
Bijzondere fiscale regels kunnen er voor zorgen dat het vennootschapbelastingplichtig worden van een openbare bibliotheek niet daadwerkelijk leidt tot belastingheffing. Vanwege de bijzondere faciliteiten, kan het belastbare resultaat van de openbare bibliotheek namelijk meestal worden teruggebracht tot nihil.

Bestedingsreserve

De bestedingsreserve is een fiscale faciliteit die in het leven is geroepen om een knelpunt voor culturele instellingen en bepaalde stichtingen of verenigingen op te lossen. De bestedingsreserve leidt er toe dat onder voorwaarden voor een bepaalde periode ‘belastingvrij’ kan worden gespaard. De dotatie aan de bestedingsreserve kan namelijk ten laste van de fiscale winst worden gebracht.

Fondswervende instelling

Naast de bestedingsreserve kan de faciliteit van de fiscaal fondswervende instelling mogelijk uitkomst bieden. Indien een bibliotheek bijvoorbeeld met behulp van vrijwilligers een fondswervende actie verricht, dan behoren de opbrengsten uit die actie onder voorwaarden niet tot de heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting.

Aftrek inzet vrijwilligers

Tot slot geldt binnen de vennootschapsbelasting onder voorwaarden een aftrek voor het resultaat dat te danken is aan de arbeid van vrijwilligers. De fiscale winst die te danken is aan de arbeid van deze vrijwilligers komt dan in mindering op het belastbare resultaat van de stichting of vereniging die de openbare bibliotheek exploiteert. Voor de aftrek kwalificeert het deel van de kosten met betrekking tot deze vrijwilligers dat aftrekbaar zou zijn indien hun beloning plaats zou vinden op basis van het minimumloon, verminderd met de werkelijke kosten. Meer over de werking van deze aftrekmogelijkheid treft u hier. Voor deze aftrek is het niet nodig dat uw openbare bibliotheek een regeling voor vrijwilligersvergoedingen kent.

Onze dienstverlening

VERDER heeft expertise op het gebied van de fiscale regels die gelden voor de openbare bibliotheek en de leeszaal. Graag informeren wij u over de mogelijkheden daarvan in een vrijblijvend gesprek. Onze contactgegevens treft u hier aan.

VERDER gaat uiterst nauwkeurig te werk. Toch kunnen wij geen verantwoordelijkheid aanvaarden voor door u op basis van de voorgaande informatie genomen acties. Neem hier kennis van onze disclaimer.

Jos van Bavel

Partner | Fiscalist

Binnen VERDER is Jos verantwoordelijk voor fiscale advisering. Jos is een fiscaal specialist met focus op grote en middelgrote Non-Profit organisaties en overheden.

Lees meer over Jos van Bavel >

Recente publicaties

Alle publicaties

Best gelezen