31 30 2084100
Bellen

Scheiden wonen en zorg

17 april 2014 - mr. Jos van Bavel VERDER - NON-PROFIT

Als gevolg van politieke keuzes wijzigt de financiering van veel zorginstellingen met ingang van 2013 fors. De ingezette trend is het extramuraliseren van zorg: ouderen moeten langer zelfstandig blijven wonen en niet zo snel als vroeger in een verpleeg- of verzorgingshuis terecht komen. In de financiering van zorginstellingen nu een scheiding gemaakt tussen huisvesting en zorg. Een groot deel van voorheen intramurale zorg wordt in 2013 extramuraal.

Met ingang van 2013 is niet langer sprake van het aanbieden van verzorging en huisvesting in één pakket. Juridisch worden er voortaan twee diensten aangeboden: enerzijds verzorging, anderzijds woonruimte.

Impact, ook fiscaal

Voor zorginstellingen heeft de maatregel grote gevolgen. Zowel in organisatorische, in financiële als in administratieve zin:

  • Voor iedere cliënt/bewoner moet naast een huurovereenkomst ook een overeenkomst voor de zorgverlening worden opgesteld;
  • De huurders gaan naar verwachting meer eisen stellen aan hun woonomgeving en onderhoudswerkzaamheden;
  • De (meerjaren)begroting van kosten en inkomsten vraagt om aanpassing: bekostiging uit huuropbrengsten van extramurale panden wijkt af van de opbrengst uit de normatieve huisvestingscomponent (NHC) binnen de AWBZ-vergoeding;
  • De kapitaalslasten van de extramurale panden moeten ten minste door de huuropbrengsten worden gedekt. Anders dan de bekostiging van intramurale panden uit het totaal van de AWBZ-vergoeding en de NHC daarbinnen, zal marktwerking immers dwingen om (ook) de exploitatie van panden maximaal efficiënt te laten verlopen. Daarnaast onderkennen wij tot slot ook fiscale gevolgen van de juridische scheiding van wonen en zorg. Daar gaan wij hierna dieper op in.

Vijf fiscale aandachtspunten

Wij onderkennen fiscale gevolgen bij de scheiding van wonen en zorg op het gebied van de btw-heffing, in de heffing van onroerendzaakbelasting (OZB), in de verhuurderheffing, de vennootschapsbelasting (Vpb) en de schenkbelasting (ANBI-status).

1.Btw-heffing

Voor de heffing van btw is het relevant om de aard van de diverse prestaties van de zorginstellingen te beoordelen op de heffingsgevolgen. De vraag is dan of de btw-vrijstelling voor de verzorging en verpleging van in een inrichting opgenomen personen door de scheiding van wonen en zorg nog in alle gevallen een oplossing biedt om vrijgesteld van btw-heffing te kunnen blijven presteren. Daarnaast gaan zorginstellingen door het (afzonderlijk) aanbieden van woonruimte te maken krijgen met de btw-vrijstelling voor de verhuur van woningen en vastgoed. Hoewel beide prestaties dus btw-vrijgesteld zijn, is het voor zorginstellingen van belang om te weten op grond van precies welke vrijstelling haar prestaties vrijgesteld blijven. Het belang voor zorginstellingen neemt daarmee dus toe om de actuele btw-positie te (laten) beoordelen. Het is namelijk zeer goed voorstelbaar dat zorginstellingen met de nieuwe prestaties of naast prestaties van verhuur en zorgverlening ook meer btw-belaste prestaties gaan verrichten.

De btw-kwalificatie van de werkzaamheden van een zorginstelling is daarnaast ook van belang voor de mate waarin zij recht heeft op aftrek van btw-voorbelasting op de directe en algemene kosten. De btw-teruggaaf van deze pro-rata btw, wijzigt als gevolg van bijvoorbeeld meer btw-belaste dienstverlening of nieuw- of verbouw-werkzaamheden aan panden.

2. Onroerendezaakbelasting

De WOZ-waarde van de panden van zorginstellingen wordt beïnvloed door de scheiding van wonen en zorg. De wijze waarop de panden worden aangewend en hoe ze gefinancierd moeten worden, wijzigt immers. Om de exploitatie van de verhuurde woningen en appartementen kostendekkend te maken, gaan instellingen zoeken naar mogelijkheden om een hogere huur te vragen. Een belangrijk aspect daarbij is dat instellingen er – binnen voorwaarden – toe kunnen besluiten om woonruimtes als juridisch ‘zelfstandige woonruimte’ te laten kwalificeren. Voor de bepaling van de WOZ-waarde van onroerende zaken en de afbakening van WOZ-objecten, is dat een belangrijke stap. Allerlei lokale heffingen, zoals de aanslagen OZB, rioolbelasting en afvalstoffenheffing gaan dan een grotere rol spelen. Maar ook de verhuurderheffing gaat een rol spelen. Door al deze heffingen kan het beoogde voordeel van de verzelfstandiging van woonruimtes en een hernieuwde WOZ-objectafbakening wel eens teniet worden gedaan.

3. Verhuurderheffing

De invoering van de verhuurderheffing in 2013 is turbulent (nog steeds) en onder grote politieke druk tot stand gebracht. De toekomst van deze nieuwe heffing in 2014 en volgende jaren is nog ongewis. Omdat deze heffing is ingevoerd om de budgettaire effecten van stimulerende beleid op de gereguleerde huurmarkt te compenseren, zal de verhuurderheffing naar onze indruk op één of andere manier of vorm zijn werking houden.

De verhuurderheffing heeft tot gevolg dat woningcorporaties, maar mogelijk ook zorginstellingen en studentenhuisvesters, extra belasting moeten afdragen aan de Belastingdienst. Als gevolg van de scheiding van wonen en zorg, verwachten wij dat ook zorginstellingen door deze heffing zullen kunnen worden geraakt. De verwachting is immers dat veel van de woningen van zorginstellingen zullen kwalificeren als huurwoning in de zin van de verhuurderheffing. Voor de verhuurderheffing wordt immers ook aangesloten bij de WOZ-objectafbakening, zodat ook veel aanleunwoningen kwalificeren. Ook zorgappartementen of zelfs kamers zullen als gevolg van de scheiding van wonen en zorg in de toekomst eerder als zelfstandige WOZ-objecten kunnen worden beschouwd.

Ook indirect kunnen zorginstellingen met de afwenteling van de heffingsgevolgen van de verhuurderheffing te maken krijgen. Wanneer een woningcorporatie bijvoorbeeld verhuurt aan een zorginstelling en laatstgenoemde onderverhuurt, dan is het zeer goed denkbaar dat de verhuurderheffing wordt doorbelast aan de zorginstelling. Meer informatie over de belastingplicht, de tarieven en impact van de verhuurderheffing, vindt u hier.

4. Vennootschapsbelasting

In tegenstelling tot veel zorginstellingen zijn woningcorporaties vennootschapsbelastingplichtig. Als gevolg van politieke keuzes die in 2006 en 2008 in de fiscale wet zijn vastgelegd, is de enkele verhuur van woningen in de sociale sector door ‘toegelaten instellingen’ onderhevig aan deze heffing.

Zorginstellingen zijn voorlopig meestal nog vrijgesteld van vennootschapsbelasting. De (zorg)vrijstelling waarop veel zorginstellingen zich beroepen, is daarbij overigens recent nog gewijzigd (1 januari 2012). Toch is het onze verwachting – een aankondiging door de politiek vond reeds plaats – dat deze zorgvrijstelling de komende jaren nog verder wordt aangepast; ook vanwege de fiscale ontwikkelingen die aan de orde zijn in relatie tot de vennootschapsbelastingplicht van overheidsbedrijven en de toenemende marktwerking in de zorgsector.

Op grond van de wetstekst van de huidige zorgvrijstelling, kan de wijziging van de werkzaamheden van menig zorginstelling – van intramurale zorgverlening naar meer extramurale zorg met (bijkomend?) de verhuur van onroerende zaken – leiden tot vennootschapsbelastingplicht voor de zorginstelling. Bedenk daarbij dat met de voornoemde wetswijziging van 1 januari 2012, het verschaffen van ‘een onderkomen aan bejaarden, gebrekkigen of wezen’ niet langer kwalificeert onder de zorgvrijstelling. Sinds 2012 is het voor toepassing van de zorgvrijstelling noodzakelijk dat het bieden van onderkomen aan de doelgroep wordt gecombineerd met het bieden van de daadwerkelijke zorg door één en dezelfde zorginstelling. En in die combinatie van beide diensten zit een valkuil. Hoe werkt de fiscale regelgeving immers uit indien cliënten wel hun huurcontract behouden bij een (zorg)instelling, maar hun zorg elders inkopen (die vrijheid hebben ze immers veelal vanaf 2013). Staan de werkzaamheden van de verhurende zorginstelling dan in de weg aan toepassing van de zorgvrijstelling met ingang van 2013?

Door activiteiten strategisch te verdelen over meerdere stichtingen of rechtspersonen binnen een zorggroep, kan meestal worden voorkomen dat vennootschapsbelastingplicht bij het scheiden van wonen en zorg aan de orde komt. De zorgvrijstelling blijft behouden en ook de verhuur van onroerende zaken wordt niet door vennootschapsbelasting getroffen.

5. ANBI-status

Instellingen van algemeen nut (algemeen nut beogende instellingen), genieten fiscale voordelen die aan het ‘particuliere nut’ niet toekomen. Het bieden van gezondheidszorg, jeugd- en ouderenzorg en/of welzijnswerk, kwalificeert van oudsher – onder voorwaarden – als algemeen nuttige activiteit. Veel zorginstellingen hebben dan ook de ANBI-status bij beschikking verkregen van de Belastingdienst.

Sinds 2012 is in de wet vastgelegd dat ook ‘volkshuisvesting’ als algemeen nut kan kwalificeren. Een vraag die gesteld kan worden is of het bieden van huisvesting door een zorginstelling kwalificeert als ‘volkshuisvesting’ in het licht van de fiscale wettekst. Als dat zo is, dan hoeft het scheiden van wonen en zorg niet te leiden tot het verlies van de ANBI-status voor een zorginstelling als ze haar werkzaamheden anders inricht. Als het antwoord op deze vraag ontkennend is, dan zal bij het scheiden van wonen en zorg aandacht moeten bestaan voor de wijze waarop de ANBI-status voor de zorginstelling behouden kan blijven.

Conclusie

Met de bovenstaande verkenning van de fiscale impact van het scheiden van wonen en zorg schetsen we de meest voor de hand liggende fiscale aandachtspunten. Opvallend in ieder geval is te onderkennen dat de diverse heffingen onderling verband houden en dat keuzes op het gebied van het scheiden van wonen en zorg zich daarmee fiscaal op meerdere terreinen kunnen laten voelen. Bij het beoordelen van de fiscale impact van keuzes is het daarmee van belang deze verbanden te onderkennen en de gevolgen in samenhang te beoordelen.

Notitie in opdracht van ActiZ

Over de fiscale aspecten bij het scheiden van wonen en zorg hebben wij in opdracht van ActiZ (brancheorganisatie voor zorgondernemers) in maart 2014 een notitie geschreven. Deze notitie kunt u via het leden-net van ActiZ benaderen, maar ook via het kenniscentrum KCWZ. Uiteraard kunt u bij vragen ook direct met ons contact opnemen via onze website.

Onze dienstverlening

VERDER heeft expertise met betrekking tot de fiscale regelgeving voor zorginstellingen. Graag gaan wij over de impact van het scheiden van wonen en zorg op de fiscale positie van uw instelling een gesprek aan. Onze contactgegevens treft u hier aan.

VERDER gaat uiterst nauwkeurig te werk. Toch kunnen wij geen verantwoordelijkheid aanvaarden voor door u op basis van de voorgaande informatie genomen acties. Neem hier kennis van onze disclaimer.

Jos van Bavel

Partner | Fiscalist

Binnen VERDER is Jos verantwoordelijk voor fiscale advisering. Jos is een fiscaal specialist met focus op grote en middelgrote Non-Profit organisaties en overheden.

Lees meer over Jos van Bavel >