31 30 2084100
Bellen

Wet Bestuurdersaansprakelijkheid

24 januari 2013 - mr. Jos van Bavel VERDER NON-PROFIT

De Wet Bestuurdersaansprakelijkheid (WBA) stelt de meldingsplicht centraal. Als een rechtspersoon niet in staat is haar verplichtingen jegens Belastingdienst en/of pensioenfonds te voldoen, dan moet deze betalingsonmacht onverwijld aan de betrokken crediteur worden gemeld. Wij concentreren ons hierna op de melding aan de Belastingdienst. Iedere bestuurder van een rechtspersoon is bevoegd en verplicht deze melding te verrichten. De bedoeling is dat de Belastingdienst na de genoemde melding, haar invorderingsbeleid kan aanpassen. Zodoende wordt voorkomen dat de schulden (te) hoog oplopen. De aansprakelijkheid van de bestuurders is daarbij genuanceerd, waarbij onderscheid kan worden gemaakt in correcte meldingen en niet(-correcte) meldingen.

Correcte meldingen betalingsonmacht

Een bestuurder van een rechtspersoon die een correcte melding van de betalingsonmacht heeft gedaan bij de Belastingdienst, kan in beginsel niet persoonlijk voor de betaling van deze belastingschulden worden aangesproken. Een belangrijke voorwaarde hierbij vormt dat de rechtspersoon staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Vooral bij verenigingen of stichtingen kan het nog wel eens voorkomen dat deze (nog) niet staan ingeschreven. In het geval van dergelijke stichtingen of (informele) verenigingen, zijn de bestuurders vaak persoonlijk aansprakelijk voor het handelen.

De grote uitzondering op het niet persoonlijk aansprakelijk zijn van een bestuurder voor de betaling van belastingschulden, vormt de omstandigheid dat de Belastingdienst kan aantonen dat de betalingsmoeilijkheden van de rechtspersoon te wijten zijn aan het kennelijk onbehoorlijk bestuur van de betrokken bestuurder. Deze onmogelijkheid om te betalen zal dan ontstaan moeten zijn door het kennelijk onbehoorlijk bestuur van de bestuurder in de drie in de melding voorafgaande jaren. Het achteraf blijken dat het besturen op onbehoorlijke wijze is geschied, is daarbij onvoldoende om te constateren dat er sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur. De bewijsopdracht die in zo’n situatie bij de Belastingdienst ligt is zo zwaar dat bij melding van de betalingsonmacht de bestuurder in de praktijk niet eenvoudig zal kunnen worden aangesproken. Als de (dreigende) betalingsonmacht correct (en dus tijdig) is gemeld, dan ligt de zware bewijslast van onbehoorlijk bestuur bij de Belastingdienst. Daarmee is het correct verrichten van de melding van zeer groot belang voor de aansprakelijkheden van een bestuurder (in privé).

Niet (-correcte) melding van betalingsonmacht

Wanneer de betalingsonmacht niet op de juiste wijze is gemeld en de rechtspersoon blijkt niet in staat om haar verplichtingen tegenover de Belastingdienst na te kunnen komen, dan is de bestuurder aansprakelijk voor de betaling van de bedoelde schulden. Van belang daarbij is te zien dat deze aansprakelijkheid geldt voor iedere bestuurder. Dus niet enkel voor degene die zich met de financiën of fiscale zaken bezighoudt (CFO of penningmeester), maar voor het gehele bestuur. Ieder van de bestuurders kan zodoende persoonlijk door de Belastingdienst tot betaling van de gehele schuld aan de Belastingdienst worden aangesproken.

De bestuurder die in deze situatie wordt aangesproken door de Belastingdienst voor de openstaande belastingschulden, kan slechts in twee omstandigheden onder de aansprakelijkheid uitkomen. De zware bewijslast drukt daarbij op de bestuurder (die moet iets aantonen) en dat is dus evident anders dan bij een correcte melding (vergelijk hierboven), waarbij de bewijslast op de Belastingdienst komt te rusten. Zie daar ook het belang van een correcte melding.

Bij niet(-correcte) melding, zal de bestuurder aannemelijk moeten maken dat het niet-melden niet aan hem te wijten is. Een verweer daarbij dat het financiële beleid niet tot zijn portefeuille of bestuurstaken behoort, of dat hij dit aan een andere bestuurder heeft overgelaten omdat hij te druk was, is niet aan te voeren. De wetgever verwacht van iedere bestuurder dat hij zich regelmatig op de hoogte stelt van de financiële positie waarin de rechtspersoon zich bevindt. Slaagt de bestuurder er niet in aannemelijk te maken dat het niet-melden niet aan hem te wijten is, dan kan hij zichzelf niet meer van de persoonlijke aansprakelijkheid bevrijden. Slaagt hij wel in deze eerste bewijslast, dan moet hij vervolgens nog aantonen dat de onmogelijkheid van de rechtspersoon om aan haar financiële verplichtingen te voldoen, niet te wijten is aan het kennelijk onbehoorlijk bestuur van de betrokken bestuurder. Hier rust deze bewijslast dus niet op de Belastingdienst, maar op de betrokken bestuurder. In tegenstelling tot de situatie hierboven, is de bewijspositie van de bestuurder bij niet(-correcte) melding aanzienlijk slechter.

Voornoemde regels zorgen er voor dat alle bestuurders van rechtspersonen goed in de gaten houden hoe de financiële positie van de rechtspersoon zich ontwikkelt. Van een nalatige onderneming c.q. rechtspersoon die geen of een onvolledige administratie voert, mag verwacht worden dat een correcte melding niet zal plaatsvinden. De aansprakelijkheid van de betrokken bestuurders in persoon is dan een logische en gewenste uitkomst voor de wetgever. Dat B.V.’s en N.V.’s administratieplichtig zijn, is vaak wel bekend. Maar administratieplicht bestaat op grond van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen ook voor stichtingen en verenigingen. De aansprakelijkheid van voormalige, gewezen bestuurders kan ook aan de orde zijn evenals (onder omstandigheden) die van de beleidsbepaler die zich heeft gedragen als ware hij bestuurder (quasi-bestuurder).

Faillissement, decharge, verzekeren

In aanvulling op de Wet Bestuurdersaansprakelijkheid, scherpt de Wet Bestuurdersaansprakelijkheid in faillissement (WBF) de aansprakelijkheid van bestuurders aanmerkelijk aan in het geval van een failissement van de rechtspersoon die wordt bestuurd. Meer informatie over aansprakelijkheid op grond van die wetgeving, treft u hier aan. Meer informatie over het belang van decharge, het werken met rechtspersoon-bestuurders, strafrechtelijke aansprakelijkheid en het verzekeren van aansprakelijkheid treft u hier aan.

VERDER heeft expertise op het gebied van de fiscale regelgeving en het belang daarvan voor de aansprakelijkheid van bestuurders, commissarissen, toezichthouders en (mede) beleidsbepalers. Zo bepalen wij regelmatig de vennootschapsbelastingpositie van stichtingen en verenigingen, hetgeen van belang is voor de aansprakelijkheid van het bestuur voor belastingschulden (btw- en loonbelastingschulden incluis). Naast (oud)bestuurders staan wij ook curatoren bij om de fiscale positie van rechtspersonen (in faillissement) te bepalen. Graag gaan we het gesprek met u aan over de aansprakelijkheidsrisico’s en de mogelijkheden deze te beperken. Onze contactgegevens treft u hier aan.

VERDER gaat uiterst nauwkeurig te werk. Toch kunnen wij geen verantwoordelijkheid aanvaarden voor door u op basis van de voorgaande informatie genomen acties. Neem hier kennis van onze disclaimer.

Jos van Bavel

Partner | Fiscalist

Binnen VERDER is Jos verantwoordelijk voor fiscale advisering. Jos is een fiscaal specialist met focus op grote en middelgrote Non-Profit organisaties en overheden.

Lees meer over Jos van Bavel >